De Lelieschouw

Net als de lelievlet is de lelieschouw een eenheidsboot van Scouting Nederland. Het is de oudste klasse scoutingboten die er bestaat. Het idee van een eenheidsboot kwam van de Haagsche Waterscouts (HWS) toen na de oorlog de vraag steeg naar goede zeilboten voor de zeeverkennerij. De keuze viel op de Friese schouw van 6 meter met gaffeltuig. Deze boot bleek het best geschikt om met 8 jongens (een bak) te bemannen.

De eerste 10 schouwen werden in 1949 besteld door de Nederlandse Padvinders Vereniging (de voorloper van Scouting Nederland) bij de werf van Nic. de Vries in Sneek. De lelieschouw is gebouwd van 2,5 cm Iroco teakhout volgens tekeningen van J.Olij uit Sneek. De breedte is 1,80 m. en de diepgang bedraagt 35 cm. De tuigage bestaat uit een tjottertuig van 16 m2 en is vervaardigd door fa. D.Gaastra te Sneek.

Op 17 juli 1949 werd in Leiderdorp de eerste lelieschouw te water gelaten. De schouw bleek een succes. Men besloot daarom ook stalen lelieschouwen te laten maken. In de loop der jaren zijn er zo’n 80 lelieschouwen gebouwd. Van de 10 originele houten lelieschouwen varen er nog 3 bij verschillende scoutinggroepen in Noord-Holland.
Lees meer →

 

De Lelieschouw

Spiegel der Zeilvaart april 1993

17 mei 2012 | Mail | Delen via: Hyves, Facebook, Twitter

Tekst: drs. C.P.P. van Romburgh

De eerste eenheidsboot van de waterscouts
Tijdens de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog verschenen op de tekentafels spoedig nieuwe ontwerpen van zeiljachten en boten. Veel bestaande schepen waren in slechte staat van onderhoud of waren verloren gegaan. Het Watersportverbond stond in deze tijd voor de keuze van een nieuwe en moderne jeugdboot. De zeeverkenners daarentegen kozen in 1949 voor een traditionele eenheidsboot: de Friese schouw. In dit artikel zal vooral ingegaan worden op de twee belangrijkste typen schepen binnen scouting: de Lelieschouw en de later geïntroduceerde Lelievlet.

Scouting
De padvinderij is veranderd. Met 125.000 jeugd- en kaderleden is Scouting Nederland, ontstaan uit een fusie van vier organisaties in 1973, springlevend. Het woord padvinderij is sindsdien ingeruild voor scouting. Ongeveer 10% van de jongens en meisjes (10-21 jaar) binnen scouting behoort tot deze waterscouts, de tegenwoordige verzamelnaam voor “zeeverkenners”, “matrozen der wilde vaart” en “loodsen”.
De waterscouts zijn al jaar en dag een bekende verschijning op de Nederlandse binnenwateren. De scouts zorgden verder voor de ondersteuning van nautische evenementen als Sail ’90 en de Dutch Classic Yacht Regatta in 1991. Zij maken sinds de jaren ’50 gebruik van standaardtypen boten, eerst was dat alleen de zeilschouw, vanaf 1956 ook van de “Lelievlet”.
Het zeilen en roeien is voor de waterscouts een extra dimensie bij het (vernieuwde) “spel van verkennen”, zoals dat in het begin van deze eeuw door Lord Robert Baden-Powell is bedacht. In de wintermaanden wordt naast het onderhoud van boot en tuig ook gedaan aan een andere sport, pionieren, E.H.B.O. en het maken van zwerftochten. Deze behoren tot de totaal veertien “activiteitengebieden” die scouting kent.
Veel aandacht wordt besteed aan nautische zaken met betrekking tot het varen in een roei-, zeil-, of een motorboot. Zo zijn er cursussen voor navigatie en het onderhoud van de (motor-)boten.
Ook is de veiligheid van beland. In dit geval is het behalen van het “insigne roeien” of “insigne zeilen” voor de waterscouts niet voldoende. Geen schip onder de vlag van Scouting Nederland Mag het water op, zonder dat iemand aan boord is met een Machtiging Bootleiding (MBL). Er zijn MBL’s voor roeien, zeilen en motorvaren. Daarbij is een verdeling naar grootte en type vaarwater gemaakt. Het type MBL-ZA1 (zeilen) is vergelijkbaar met het zeildiploma A van het K.N.W.V., tevens bestaat met dit MBL de mogelijkheid het diploma kielboot 1 van de Centrale Watersport Opleidingen (C.W.O.) aan te vragen. Behalve de theoretische en praktische eisen wordt bij het examen gekeken naar de geschiktheid van de kandidaat om met andere scouts het water op te gaan. De examens worden afgenomen door de Regionale Admiraliteiten. Belangrijk blijft echter het spel op en rond het water en het hulpmiddel daarbij: de Lelieschouw of de Lelievlet.

Eenheidsboot
Het idee voor een eenheidsboot voor de zeeverkenners kwam van schipper A.G. Duijff van de Haagsche Waterscouts (H.W.S.), welke behoorde tot de toenmalige Nederlandse Padvinders Vereniging (N.P.V.). De H.W.S., opgericht in 1930, was na de oorlog de grootste zeeverkennersgroep in Den Haag. Veel leden waren afkomstig uit de Indische buurt en het Statenkwartier in de stad. In 1970 fuseerde de groep met de Baron van Pallandtgroep uit Scheveningen.
De zeeverkenners in Nederland voeren na de oorlog met sloepen van de Rijnvaart Centrale, houten Noorse vletten, afgedankte reddingssloepen of met zeilboten, zoals de “BM”. Door de sterke groei van het aantal zeeverkennersgroepen in de jaren vijftig steeg de vraag naar meer varend materiaal. Bovendien zou het met een eenheidsboot mogelijk zijn om tussen de groepen onderlinge (zeil-)wedstrijden te houden. Het schip moest tegen gunstige betalingsvoorwaarden aan de belangstellende groepen geleverd kunnen worden.
Gezocht werd naar een type jeugdboot met de volgende eigenschappen: Het schip moest plaats bieden aan acht jongens (een bak), waarbij tijdens een het zeilen iedereen zoveel mogelijk aan het werk is. Schip en tuig dienden zowel geschikt te zijn voor de jongste zeeverkenners van 12 jaar als de “bootsman” van de bak (tussen 15 en 17 jaar). Daarbij moest volgens Duijff ook “het zeilen bij ruw weer geen al te grote moeilijkheden opleveren”. Belangrijk was vooral dat de boot geschikt moest zijn om er goed mee te leren zeilen. De voorkeur ging uit naar zwaarder type schip, waarbij het een kunst was om het schip de meeste vaart te geven om er mee te manoeuvreren.

Friese schouwen
De Friese schouw bleek het best te voldoen aan de gestelde criteria. Dit traditionele “Hollandse” schip is prima voor het dagzeilen. Bovendien kan men in de schouw goed leren zeilen. Van de Friese schouw bestaan er drie klassen: de kleinste tot 4,75 meter lengte, een middenklasser tot 5.50 meter en een grote klasse van meer dan 6 meter lengte. Dit grootste type was oorspronkelijk een wedstrijdschouw met een gaffeltuig. Daarmee onderscheidde deze klasse zich van de andere schouwen, die voorzien waren van een spriettuig.
Toen Duijff het plan opperde voor een eenheidsboot kreeg hij aanvankelijk veel weerstand van de andere zeeverkennersleiders. Zij vonden een eenheidsboot géén noodzaak. Niettemin kreeg Duijff van de toenmalige secretaris van de N.P.V., hopman H. Spijkerman, nota bene een landverkenner, steun. Beiden kwamen eerst met een plan om een buitencentrum voor de zeeverkenners op te richten, vergelijkbaar met het trainingscentrum van de N.P.V. in Ommen. Dit plan resulteerde uiteindelijk in de huur van het “Boterhuiseiland” op de Kaag, dat sinds 1950 in gebruik is als kampeerterrein. De waterscouts uit de Haagse regio hebben bij dit eiland een ligplaats voor hun boten.
Advies over de keuze van de nieuwe eenheidsboot won de schipper van de H.W.S. verder in
bij onder andere de voorzitter van de K.N.Z.&R.V., Ernst Crone, en de secretaris hiervan, Jan Loeff. Ook kreeg hij hulp van de jonge Delftse student H.J. Wimmers. Duijff voegde hun positieve adviezen ten aanzien van de keuze van de nieuwe boot bij zijn voorstel aan het “Nationaal Hoofdkwartier” van de N.P.V. in Den Haag. Het Hoofdkwartier ging hierna overstag.

De Lelieschouw
Een van de twee “assisten-hoofdcommissarissen” (AHKC-en) van de N.P.V. voor de zeeverkenners, schipper Stoffer, werd met de uitvoering belast. Hij vond de werf van Nicolaas de Vries in Sneek bereid tien schouwen te maken voor een zeer schappelijke prijs. Voor meer boten was geen geld. De eerste vijf exemplaren werden begin 1949 door hem besteld. “De 6 meter schouw herleeft” berichtte het “Sneeker Nieuwsblad” op 24 juni 1949. In de krant werd de aanstaande levering van de boten aangekondigd. Het nieuwsblad
prees de keuze voor de schouw door de zeeverkenners.
De Lelieschouw heeft een knikspant met vlakke bodem en verschilt weinig met de originele Friese zesmeter schouwen. De boot is gebouwd van 2.5 cm Iroco teakhout volgens de tekeningen van Olij uit Sneek. De afmetingen zijn: lengte van steven tot steven 6 meter, grootste breedte 1.80 en holte 0.95 meter. De diepgang zonder gestoken zwaarden is circa 0.35 m.
De tuigage bestaat uit een tjottertuig, met fok en grootzeil – met kromme gaffel en losse broek – van totaal 16 vierkante meter. De zeilen van de schouwen werden in 1949 te Sneek vervaardigd door “Fa. D. Gaastra”. Het tuig is kleiner en lichter dan de tuigage van de oorspronkelijke schouw. De mast is een steekmast, zonder wanten. De mastkoker wordt boven door de mastdoft en onder door het vlak gesteund. Het voorstag dient tevens als fokkestag. De boot is voorzien van een korte botteloef om het voorstag iets voorlijker te brengen.
De zwaardkoppen en de klik van het roer waren uit prijsoverwegingen niet van snijwerk voorzien. De groepen konden dat naar eigen idee zelf doen.

Dreamship no. 1
Op 17 juli 1949 werd in Leiderdorp door de hoofdcommissaris van de N.P.V. de helmstok van de eerste schouw aan het jongste verkennertje van de Haagsche Waterscouts overhandigd. Hij sprak darbij de wens uit “de schouw werkelijk binnen het bereik van iedere (zeeverkenners-)troep te brengen”. De tweede AHKC, schipper J.F. Viëtor, tevens commandeur van de “Pollux”, onthulde de naam van de schouw: “Slamat”.
Genoemd naar het koopvaardijschip van de Rotterdamse Lloyd, dat in april 1941 bij Kreta door Duitse vliegtuigen tot zinken was gebracht. Vervolgens werd de schouw door de schouw door de scouts naar de waterkant getrokken om te water gelaten te worden. De boot maakte daarna een proefvaart over de Kagerplassen. Daarmee was “dreamship no. 1″, zoals de boot in het maandblad voor de padvinder werd genoemd, een feit. De andere schouwen werden de volgende maanden hierop geleverd aan de zeeverkenners.
De tweede serie van vijf houten schouwen was qua uitvoering bijna gelijk aan de eerste. Na het voltooien van de vierde schouw ging Stoffer akkoord met een wijziging van de plaats van de mast. De mast werd ongeveer 10 cm naar achteren verplaatst. Waarschijnlijk had dat te maken met het kleinere zeiloppervlak of met de loefgierigheid. Niet iedereen was tevreden over deze aanpassing. Schipper Duijff over deze verandering: “Mijn idee van een eenheidsboot was daardoor meteen alweer verlaten”. Toch was de ontwikkeling van een standaardtype schip voor de zeeverkenners daarmee eigenlijk nog maar in de eerste fase beland.
Meer dan veertig jaar later zijn van de tien oorspronkelijke houten Lelieschouwen nog negen boten in de vaart, waarvan vijf bij diverse scoutinggroepen in Noord-Holland. De schouw met zeilnummer 5, eigendom van één van de Wassenaarse zeeverkennersgroepen, is in de zeventiger jaren gesloopt.
De overgebleven houten schouwen zijn bij de betreffende groepen het pronkstuk van hun bezit. Meestal worden de boten niet meer gebruikt door de jongere waterscouts, maar door de loodsen en de leiding. Zij besteden dan vele uren werk aan het onderhoud van de schouw, waarbij ze onder andere de naden zelf breeuwen.

Onzinkbare schouwen
De Lelieschouw bleek zo’n succes te zijn dat daarop besloten werd, in plaats van de houten schouwen, stalen boten te laten bouwen. Staal is betrekkelijk goedkoop en eveneens dankzij de lastechniek vrij gemakkelijk te verwerken. De eerste serie stalen schouwen (met de zeilnummers 11 t/m 20) werd bij de firma “Mulder en Rijke” voor ƒ 850,- per stuk besteld. Spoedig gevolg door nog een tien stalen schouwen (zeilnummers 21 t/m 30). De werf had veel ervaring met het bouwen van onder andere sloepen voor de zeevaart.
De boten waren qua lengte en holte niet verschillend van hun voorgangers. In de praktijk waren de meeste stalen schouwen wel iets ranker dan de houten voorgangers. Pas in 1980 werd opnieuw de officiële breedte vastgesteld. De oorspronkelijke maat van de houten schouw, 1.80 meter, werd de standaardbreedte.
Met betrekking tot de robuustheid en onderhoud waren stalen boten bruikbaarder dan de houten schouwen. Het onderhoud moet immers altijd door de jeugdleden zelf gedaan worden. De nieuwe boten waren voorzien van vier luchtkasten om ze onzinkbaar te maken. Twee daarvan zaten aan de zijden van de schouw en werden als bank gebruikt. De luchtkasten waren voorzien van mangaten, die de mogelijkheid gaven om de ruimte in de kast te oliën tegen corrosie.
Van een vervolgorder bij “Mulder en Rijke” werd in 1950 afgezien vanwege de hoge kosten. De speciaal voor de bouw van de schouwen gebruikte mallen werden hierna vernietigd door de werf. Een tweede serie stalen schouwen kwam pas in 1959. Zes boten werden gebouwd door de werf “L. Oldenhaagse” in Lisse. Twee jaar later gevolgd door een derde serie van negen, die bij de firma “Zijnma” in Amsterdam gebouwd werd. Beide werven bouwden de schouwen met verlies. In totaal zijn tot nu toe tachtig stalen schouwen door verschillende werven aan scouting geleverd.

Nationaal Waterkamp 1950
De eerste stalen schouwen dienden klaar te zijn voor het in de zomer te houden eerste Nationale Waterkamp (NaWaKa) in Terhorne, waar de zeeverkenners het veertigjarige jubileum (1910 – 1950) van de padvinderij in Nederland zouden vieren.
Voor de aanvang van het zomerkamp bleek dat de nieuwe boten niet meer op tijd in Friesland konden zijn, tenzij ze door de scouts zelf gehaald werden. Tijdens het voorkamp van het NaWaKa vertrok Duijff, samen met een aantal jongens van de H.W.S., met zijn motorboot de “Zeehond”, naar IJmuiden om de boten op te halen. Daar lagen de schouwen, compleet met zwaarden, roeren en buikdenningen, bij de werf klaar. Het werd een tocht van Friesland naar IJmuiden en weer terug met een “hopeloze lange sleep met tien splinternieuwe schouwen en vreselijk slecht weer”. Via Lemmer, waar de masten en ander rondhout bij de firma “Van der Neut” klaar lagen, werd koers gezet naar het kampterrein bij de Terhornster Poelen. Al het materiaal was aanwezig bij het begin van het kamp. De 700 zeeverkenners konden zo toch nog kennis maken met de nieuwste schouwen.
In het waterkamp werd een vlootschouw gehouden met 175 boten. Aan kop gingen zes houten Lelieschouwen. Zij werden gevolgd door de stalen schouwen, die herkenbaar waren aan hun licht beschilderde romp. Snellere zeilboten, zoals de “BM’s”, hadden door de flinke wind alle moeite om de schouwen niet in te halen. De achterhoede van de vlootschouw werd gevormd door een lang lint van kano’s en roeiboten.
In de loop der tijd is de schouw een zeer betrouwbare boot gebleken voor de zeeverkenners. Toch bleek dat het varen met de schouw soms zwaar is voor de jeugdige bemanning. Zeker omdat deze tegenwoordig niet altijd bestaat ui acht jongens (en meisjes), maar uit zes of minder opvarenden. De stalen schouw is bepaald geen snel schip.

Indien de schouw niet gezeild kan worden, zoals bij het invaren van een sluis, dan maken de scouts gebruik van peddels of een wrikriem. In de loop der tijd verdwenen de meeste vaarbomen, waarmee in de eerste instantie de schouw kon worden voortbewogen. Over bleef voortbewegen van de boot door middel van wrikken (waartoe een dol op de spiegel wordt geplaatst). Bij een aantal schouwen zijn ter hoogte van de mast twee dolpotten aan het boord gelast om de schouw ook roeiend voort te bewegen.

Veranderingen
De eerste stalen schouwen waren voorzien van een houten mastkoker en mastdoft, gelijk aan die van de houten schouwen. Door houtrot was het na verloop van tijd nodig de mastkoker en doft te vervangen door een stalen constructie. De gehele romp was nu van staal.
Sinds 1977 heeft de nieuwe generatie scouting-schouwen diverse verbeteringen ondergaan. De schouw in oude vorm was inmiddels onbetaalbaar duur geworden. De constructie werd daarom sterk vereenvoudigd.
Voor de jongens en meisjes werd in de boot extra ruimte verkregen door de voorste en achterste te vergroten. Daardoor konden de twee in de lengte geplaatste luchtkasten verwijderd worden. Tegelijkertijd verdwenen de mangaten in de luchtkasten – dank zij het stralen van het staal en de tegenwoordig betere verftechnieken is oliën niet meer nodig. Op de bovenzijde van de spiegel werd door een aantal groepen een uitsparing voor een buitenboordmotor gemaakt. Tenslotte werd de mast extra gestaagd door twee wanten.
Bij een groot aantal scoutinggroepen zijn de schouwen nog steeds populair. Tijdens de jaarlijkse regionale zeilwedstrijden op de Kagerplassen is altijd een apart veld voor schouwen ingeruimd. In 1992 voer in dit veld ook een houten schouw mee. Tijdens het Nationaal Waterkamp, dat in de zomer van 1992 rond de Oolderplas bij Roermond werd gehouden, was een aantal stalen schouwen aanwezig. In tegenstelling de vorige NaWaKa’s ontbraken hier de houten schouwen.

De Lelievlet
Een volgende speurtocht naar een nieuw type wrik-, roei-, en zeilboot naast de Lelieschouw had de Lelievlet tot resultaat. De zeeverkenners gebruikten na de oorlog houten vierriems roeivletten en sloepen om te roeien. Gekozen werd voor een snellere boot met meer mogelijkheden dan de schouwen. Bovendien was de vlet aanzienlijk goedkoper. De eerste gebruikers van de schouwen noemen de vlet desondanks steevast “het onding”. Volgens hen is “de zeilboot lelijk van ontwerp en te klein voor een (volle) bak van acht opvarenden”.
De eerste lelievlet maakte in 1956 zijn eerste proefvaart. De boot was in 1945 door Tinus Beenhakker in Kinderdijk ontworpen als wrik- en roeivlet. Dit roeivletje is bij de binnenvaartschippers zeer geliefd. De boot is sterk en makkelijk te slepen. Op verzoek van schipper A.L.J. Stockmann uit Breda werd de “Beenhakkervlet” in 1955 aangepast om met de boot ook te kunnen zeilen. Dit door het aanbrengen van een mast en een midzwaard. Ook werd de boot vergroot tot 5.60 meter, zodat er ruimte was voor vijf tot zes personen.
De Lelievlet heeft net als de schouw een knikspantvorm. De afmetingen zijn: 5,60 lengte over de stevens en een breedte van 1,80 meter. De stalen boot is sloepgetuigd met een standaard gaffelzeil en fok van samen 12.25 vierkante meter oppervlakte. De lelievlet is herkenbaar door het zeilteken met de Franse lelie en de letter “V” daaronder. In de vlet zijn luchtkasten aangebracht onder het voor- en achterdek.
In 1970 is door Henk Bos voor een zeeverkennersgroep in Heemskerk een aantal schetsen gemaakt om de vletten in eigen beheer te bouwen. Ongeveer 100 kleine wijzigingen werden toen in het eigenlijke ontwerp aangebracht. Begin jaren ’80 heeft de Landelijke Admiraliteit van Scouting Nederland de vlet door Bos laten doorrekenen. Naar aanleiding hiervan werden opnieuw enkele aanpassingen aangebracht. De boeg is onder andere scherper gemaakt, om de vlet tijdens het zeilen beter te laten lopen. Tijdens het Nationaal Waterkamp in 1989 werd een nieuwe vlet gepresenteerd. Het schip, de “Blauwvis”, is aangepast voor gehandicapten. Zo is de achterste luchtkast naar de bodem gebracht. Het achterdek heft plaats moeten maken voor een bank. Langs de boorden zijn vaste rugsteunen aangebracht, waardoor je zittend in de kuip een betere steun in de rug hebt. De “Lelievlet-special” is vaartechnisch identiek aan de gewone zeilvlet. De special is momenteel alleen in gebruik bij de Beatrixgroep in Roermond.

Boot van het jaar
De lelievlet heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld tot de standaardboot van de waterscouts, waarvan er nu ruim 1300 rondvaren. Inmiddels varen deze boten ook rond in onder andere België, Ierland en de Nederlandse-Antillen. Zo hebben in binnen- en buitenland generaties jongens en meisjes in deze boot leren roeien en zeilen.
De Stichting Sneek Promotion riep de Lelievlet tijdens de Sneekweek in 1987 uit tot Boot van het Jaar. Dit ter gelegenheid van het in de vaart brengen van de 1200-ste lelievlet, de “Zeerob”, van de Sneker waterscouts Greate Pier. De hierbij behorende wimpel werd overhandigd aan de voorzitter van Scouting Nederland. Daarmee kwam de vlet als Boot van het Jaar in gezelschap van de motorreddingsboot “Jansje Baars” en het vakantieschip “J. Henri Dunant” van het Rode Kruis.

Nieuwe ontwerpen
Inmiddels wordt binnen scouting gewerkt aan nieuwe type schepen naast de schouwen en vletten. Het in de vaart brengen van een stalen Leliejol in 1983, geschikt voor jongere zeeverkenners – waarvoor de vlet te zwaar is -, verloopt vrij traag. Bijna tien jaar later varen er 16 jollen en staan er vier boten op stapel. Een voorontwerp van een boot voor de wildevaart en de loodsen werd in 1991 gepresenteerd. Dit schip is even duur als een Lelieschouw en heeft meer mogelijkheden, zoals het varen op groot water en het maken van grotere trektochten. Schouwen en vletten zijn niet bedoeld om met een bak erin te overnachten. Het zijn vooral boten om me te varen vanaf de vaste ligplaats of
vanaf het kamp. De door Jaap Kramer ontworpen seniorenboot moet meer uitrusting kunnen meenemen. De scouts moeten in de boot onder een dektent kunnen overnachten. De eerste seniorenboot, de Explorer zal nog dit jaar voor het eerst getoond worden aan de waterscouts. Het is de bedoeling dat de zeilboot niet alleen gebruikt gaat worden door de scouts, maar ook op de markt gebracht zal worden.
Vletten en schouwen zullen echter nog vele jaren de standaardboten blijven van de waterscouts. De houten en stalen schouwen hebben veertig jaar lang laten zien dat zij niet onderdoen voor hun opvolgers.

Media | Auteur: Christoffel | Labels: | Reageer

Lelieschouw ?

2003

16 mei 2012 | Mail | Delen via: Hyves, Facebook, Twitter

Deze schouw is ontdekt door de Spaarnegeuzen uit Heemstede en is sinds 2004 ook eigendom van deze groep. Er is niet veel bekend over deze schouw. Het is bijvoorbeeld niet duidelijk welk zeilnummer deze schouw heeft. De Spaarnegeuzen gaan hem restaureren en weer zeilend maken. 

Er zit veel werk in het schip. Er zit geen mastbank meer in en de mastwangen zijn verhoogd i.v.m. de kajuit. Die gaat er af. Diverse gangen zijn rot. Vier gangen moeten voor de helft vervangen worden. Ook de bodem moet vernieuwd worden. Spiegel en voorboord zijn goed, ook van het roer valt nog wel wat te maken. Zwaarden zijn nog perfect.

De boot is in 1997 aangekocht door de vorige eigenaar. De boot verkeerde toen in goede conditie. Hij heeft de boot overgenomen van een ouder echtpaar bij wie de boot al zo’n 35 jaar in bezit was. Zij maakten trektochten door Friesland met de boot en sliepen in de kajuit. 

Nadat de huidige eigenaar er tot het jaar 2000 met veel plezier op het Veluwemeer in gezeild heeft, is er wegens omstandigheden eigenlijk niet meer met de boot gevaren. De lelieschouw heeft een paar jaar in de haven gelegen en is daar absoluut niet beter van geworden. 

Publicaties | Auteur: Christoffel | Labels: , | Reageer

Lelieschouw 10

2003

16 mei 2012 | Mail | Delen via: Hyves, Facebook, Twitter

In bezit van Scoutinggroep Victorie uit Heiloo, zeilt op het Alkmaardermeer.

Publicaties | Auteur: Christoffel | Labels: , | Reageer

Lelieschouw 9

2003

16 mei 2012 | Mail | Delen via: Hyves, Facebook, Twitter

Over deze schouw is helaas niks bekend, is waarschijnlijk verkocht aan particulieren.

Publicaties | Auteur: Christoffel | Labels: , | Reageer

Lelieschouw 8

2003

16 mei 2012 | Mail | Delen via: Hyves, Facebook, Twitter

De Fram is een originele houten lelieschouw en de trots van onze groep. De boot wordt al ruim 50 jaar door de leden van de Livingstonegroep gebruikt. In 1999 vierde de groep de 50ste verjaardag van hun schouw, met een zeilwedstrijd waaraan naast enkele andere originele houten lelieschouwen ook stalen schouwen deelnamen.

De Fram is nummer 8 uit de eerste serie van 10 houten lelieschouwen. De boot is al meer dan 50 jaar in gebruik bij de Livingstonegroep. Velen hebben in de Fram leren zeilen, trektochten en kampen beleefd, wedstrijden gevaren en avonturen meegemaakt. Nog steeds wordt er door de leden van de Livingstonegroep gebruik gemaakt van dit historische schip.

De Fram in ons beheer
Over de geschiedenis van het verkrijgen van onze lelieschouw bestaan verschillende verhalen. Volgens de ene persoon was de Fram een schenking vanuit Canada, volgens de ander is de Fram in een sloot gevonden. Hoe het ook zij, de Fram is zoals bij zoveel groepen met een lelieschouw, de trots van onze groep.
Inmiddels is de Fram ruim 50 jaar oud en begint hij enige zwakke plekken te vertonen.
Begin jaren zeventig werd bij een aanvaring de complete achterkant van de boot afgevaren. Over deze aanvaring is bij de huidige (leiding)leden weinig meer bekend. Het verhaal gaat dat bij het herstel de spiegel met 30 cm ingekort werd.
De ouderdom van de schouw kwam voor het eerst duidelijk tot uiting tijdens ons zomerkamp van 1986 op de Kagerplassen. De mastdoft was in dusdanig slechte staat dat deze aan vervanging toe was. Deze reparatie gebeurde op een scheepswerf en duurde niet zo heel erg lang. Nog dat zelfde jaar voer de Fram weer.

In 1989 sloeg wederom het noodlot toe en weer tijdens ons zomerkamp. Tijdens het zeilen bij een voor de windse koers, verschoof de mastvoet ongeveer 10 cm naar voren. Provisorisch werd de mastvoet weer op haar plaats gezet en door middel van de grootschoot op haar plaats gehouden. In die tijd had de Livingstonegroep nog niet de beschikking over een eigen sleepboot. De tocht van en naar het zomerkamp werd grotendeels zeilend afgelegd. Dit werd dat jaar dus een groot probleem. Met de fok van de Fram als grootzeil en de fok van een vlet als fok werd zo goed en zo kwaad als het ging de thuishaven gehaald.
In de winter werd de schade gerepareerd door een van de leidingleden van de Livingstonegroep. Er werden stalen beugels om de mastvoet heen geplaatst. Met deze beugels zat de mastvoet vast aan de mastdoft. Tevens kreeg de Fram een tweede want aan elk boord.
Het volgende zomerseizoen werd er probleemloos gezeild. Echter in het daaropvolgende winterseizoen (1990/1991) werden er mossen en zelfs plantjes geconstateerd onder aan de mastvoet. Bij nadere inspectie bleek dat de slede waarop de mastvoet rust grotendeels verrot was. De enige oplossing was om de mastvoet en slede eruit te slopen en er een nieuwe in te laten zetten.
Vanwege plaatsgebrek tijdens het winterseizoen op de scheepwerf kon de Fram pas in het volgende zomerseizoen de kant op voor reparatie. Dit gebeurde bij een scheepswerf in Kortenhoef. Bij de reparatie werd vervangen de mastvoet, de slede, een balkje, een spant, een vleugeltje en de boeg. Een vrij kostbare zaak,
maar volgens de werfbaas kon de Fram er weer een tijd tegenaan.

Na bijna twee jaar kwam de Fram in 1992 weer in de vaart. Niet voor lange tijd echter.
Dit maal waren er problemen aan de bakboordzijde ter hoogte van het zijzwaard.
Precies op het punt waar het zwaard wordt opgehangen bleek het boord rot te zijn. Deze reparatie kon uitgevoerd worden door een van onze leidingleden.
Gevolg was wel dat in het zomerseizoen 1993 de Fram weer niet varen kon.
Vanaf het jaar daarna is de Fram redelijk gevrijwaard van problemen, in zoverre dat hij wel ieder zomerseizoen kan varen. Vanaf 1994 is de boot dan ook telkens mee geweest op ons zomerkamp.
Uiteraard waren er wel de nodige kleinere problemen. Zo moest in 1995 een plaat vervangen worden aan de onderzijde van de boot, ter hoogte van de mastvoet. En een jaar later moest er een gat in het achteronder worden gedicht. Dit waren echter reparaties die wij zelf konden verrichten en die geen onnodige vertraging met zich meebracht.
Vanaf 1997 is een van onze leidingleden direct verantwoordelijk voor het “groot onderhoud en reparatie” van de Fram. Deze persoon neemt vanuit zijn werk, (Scheepswerf de Batavia in Lelystad) een grote hoeveelheid kennis mee. In de laatste twee winterseizoenen zijn er op zeer professionele wijze al diverse reparaties verricht.

De bemanning van de Fram in de loop der jaren zeer afwisselend geweest. Er is een tijd geweest dat de meisjesbakken en jongensbakken elkaar jaarlijks afwisselden.
Tot er een moment kwam dat er geen meisjesbak het aandurfde om in de Fram te zeilen.
Vanaf begin jaren-80 tot 1992 voer er een jongensbak in de Fram. In dat jaar werd de Stam ”eigenaar” van de boot. Dit duurde ongeveer een jaar, toen ging de boot wederom terug naar de jongens. In 1994 zeilde er voor het eerst sinds lange tijd
weer een meisjesbak in de Fram. Zo ook in 1995. Vanaf die tijd wilde men de oude traditie van het wisselen tussen de jongens en de meisjesbakken weer nieuw leven in blazen en dus ging de boot in het volgende seizoen weer naar een jongensbak.
Later gaat de fram weer naar de stam, en na het opheffen van deze speltak naar de leiding. In de winter van 2000-2001 en 2001-2002 wordt de Fram onderhouden in een garage in Uithoorn. Er wordt in 2001 en 2002 met de Fram meegezeild in de Kaagcup en in 2002 ook in de Mooie Nel Cup.  Hier neemt de Fram het op tegen de
andere nog zeilende houten lelieschouw, nummer 6 en sleept als vanouds prijzen in de wacht. Dit vanaf 2002 met een nieuw zeil, wat weer wit is. Vanaf het begin van het zomerzeizoen 2002 zeilt er weer een jongensbak in de Fram. In de winter van 2002-2003 wordt de Fram onderhouden in de inmiddels gebouwde botenloods, samen met de lelievletten. Dit geldt ook voor de seizoenen 2003-2004 en 2004-2005. In deze jaren is de schouw in goede conditie en worden er regelmatig wedstrijden mee gezeild, zoals de Kaagcup en de Mooie Nel cup.

Publicaties | Auteur: Christoffel | Labels: , , | Reageer

Lelieschouw 7

2003

16 mei 2012 | Mail | Delen via: Hyves, Facebook, Twitter

Deze schouw is eigendom geweest van de Haagsche Waterscouts en voer daar onder de naam Krakatau. Deze groep is in 1969 gefuseerd met de Baron van Pallandgroep.

Bovenstaande twee foto’s komen van de site van de Haagsche Waterscouts.

Deze foto is ingestuurd door dhr. O.W. Borgeld

Is waarschijnlijk in 1970 verkocht (aan particulieren?)

Publicaties | Auteur: Christoffel | Labels: , | Reageer

Lelieschouw 6

2003

16 mei 2012 | Mail | Delen via: Hyves, Facebook, Twitter

Nog altijd in bezit van Scoutinggroep Spaarnegeuzen te Haarlem en uiteraard nog altijd varend.

Publicaties | Auteur: Christoffel | Labels: , | Reageer

Lelieschouw 5

2003

16 mei 2012 | Mail | Delen via: Hyves, Facebook, Twitter

Deze schouw is eigendom geweest van de Van Wassenaer Van Obdam en is rond 1970 verkocht aan een oud lid van deze groep. Daar zeilde dat schip onder de naam Stormvogel.

Deze foto is geleverd door W.J. Borgeld (oud lid van de Van Wassenaer van Obdamgoep) en is genomen in 1961 bij het Boterhuiseiland.
Zou in 1977 zijn gesloopt.

Publicaties | Auteur: Christoffel | Labels: , | Reageer

Lelieschouw 4

2003

16 mei 2012 | Mail | Delen via: Hyves, Facebook, Twitter

Inmiddels is deze schouw in het bezit van een broer en zus uit Zaandam en Purmerend. Deze broers waren lid van Scoutinggroep de Wieken Watergeuzen Vrijbuiters uit Zaandam, de vorige eigenaar. Deze schouw ligt momenteel op de kant te wachten op onderhoud en moet dan weer zeilend zijn.

Publicaties | Auteur: Christoffel | Labels: , | Reageer

Lelieschouw 3

2003

16 mei 2012 | Mail | Delen via: Hyves, Facebook, Twitter

Deze boot is opgestookt als brandhout door de Paula Geertsgroep uit Hoofddorp.

Publicaties | Auteur: Christoffel | Labels: , | Reageer